De stad die in het donker verdwijnt
In en rond grote steden is de sterrenhemel bijna verdwenen, en dat is een groter probleem dan veel mensen beseffen. Waar vroeger duizenden sterren te zien waren, schijnen nu nog maar een handvol door de oranje gloed van straatlantaarns, reclameborden en verlichte gebouwen. Deze 'lichtvervuiling' groeit elk jaar.
Het is om meerdere redenen een probleem. Voor mensen verstoort te veel kunstlicht 's nachts de slaap, omdat het lichaam licht aanziet voor dag en de aanmaak van het slaaphormoon afremt. Voor dieren is het nog ingrijpender: trekvogels raken de weg kwijt, nachtinsecten verzamelen zich dodelijk rond lampen, en jonge zeeschildpadden kruipen de verkeerde kant op omdat ze op licht afgaan.
De oorzaak ligt in de manier waarop we verlichten. Veel lampen schijnen niet alleen naar beneden, waar het licht nodig is, maar ook opzij en omhoog, waar het verloren gaat. Bovendien staat veel verlichting de hele nacht aan, ook op plekken waar op dat moment niemand komt. We verspillen dus licht, met overlast als gevolg.
Gelukkig zijn er oplossingen die niet duur of ingewikkeld zijn. Een eerste aanpak is om lampen af te schermen, zodat het licht alleen naar de grond schijnt. Een tweede oplossing is verlichting die zwakker brandt of automatisch uitgaat wanneer er niemand in de buurt is, met behulp van eenvoudige bewegingssensoren. Ook warmer, geler licht stoort dieren minder dan fel wit licht.
De beste aanpak combineert deze maatregelen: afgeschermde lampen, slimme sensoren en warmer licht samen. Zo houden we straten veilig verlicht waar dat nodig is, en geven we de nacht, de slaap en de sterren weer terug waar dat kan.